This site requires JavaScript to render the code.

Need to know how to enable JavaScript? Go here.

Speakers

prof. dr. Herman Pleij

Cultuurhistoricus

Een tijd geleden raakte ik betrokken bij de verkiezing van de grootste Nederlander. Twee avondvullende tv-shows en een tiental op prime time uitgezonden documentaires over de genomineerden maakten onverwachte golven van emotie los. Honderdduizenden Nederlanders mengden zich in de strijd over de vraag of Rembrandt, Erasmus, Willem van Oranje dan wel Johan Cruijff of Pim Fortuyn de grootste Nederlander aller tijden moest heten. Nu was die vraag op zichzelf onzinnig: Anne Frank groter dan Anthonie van Leeuwenhoek? Vincent van Gogh minder dan Michiel de Ruyter? Toch was er wel degelijk rendement.

De bezinning op het verleden, de identificatiemogelijkheden met groten op zeer uiteenlopende terreinen en de rijke  verhalenschat rond deze helden bleken te beantwoorden aan een sterke behoefte aan nieuwe houvasten. Al die heftige emoties waren van heel diverse aard. Velen vonden het opwindend om te weten wat er achter zo’n loze naam van een straat, plein, school of rondvaartboot schuilging. Ook voelde men zich graag erfgenaam van de deugden die een beroemde plaatsen landgenoot belichaamde. Dat Erasmus een ooit levende Rotterdammer was geweest en niet alleen de naam van een brug, werd onmiddellijk verbonden met het lokale zelfbeeld van rusteloze ondernemingszin, durf en warsheid van loze omgangsvormen: men had dat dus niet van een vreemde.

Verder bleek de confrontatie met het levende erfgoed aanleiding te geven tot spontane uitingen van warme saamhorigheidsgevoelens. Bovendien lag er ook nog eens troost in al die fraaie verledens, waartoe de vaderlandse bodem kennelijk had uitgenodigd: daar hoorde men dus bij. En ten slotte werd het vermogen tot relativeren bevorderd, misschien wel het voornaamste wapen tegen absolutisme en extremisme. Deze effecten wogen op tegen de onzin van die competitie. Dat was maar een middel om zeer velen te bewegen na te denken over hun verleden en de herkomst van hun eigen gedachten en gewoonten. Niet alleen de wegvallende ideologieën in de westerse wereld hebben die zucht naar het hervinden van een eigen identiteit bevorderd. Ook de pijlsnel voortschrijdende technologie, de centralisering van communicatie en landsbestuur, het opgaan in Europa en de snelle multiculturele diversifiëring van de bevolking werkten algemene gevoelens van identiteitsverlies in de hand. Zonder ergens bij te horen kan men immers moeilijk bestaan.

De typische Nederlander bestaat niet.”

Tot grote schrik van velen werd echter van hogerhand verzekerd, dat zo’n Nederlandse identiteit niet te vinden was. Dat beweerde Máxima tenminste, toen nog kroonprinses. Natuurlijk had ze gelijk. Maar deze open deur benam het zicht op collectieve mentaliteiten. Die kennen soms lange tradities, komen niet uit de lucht vallen en bestaan uit waarden, normen en gedragsvormen die weliswaar niet door iedereen gedeeld worden maar toch in hoog aanzien staan. Buitenlanders herkennen die als typisch Nederlands en wij doen het omgekeerde als we over de grens kijken. Hun collectieve karakteristieken vullen onze zelfbeelden aan. Beweren zij dat we gierig zijn, dan noemen wij dat zuinig. Zo kleeft aan iedereen een kwalificatie, ingegeven door de geboortegrond. Het is heel leerzaam om de tradities daarachter te verkennen. Of houden die botte Hollanders daar soms niet van?

prof. dr. Herman Pleij

Cultuurhistoricus

Herman Pleij is emeritus hoogleraar historische Nederlandse letterkunde. Hij is bij het grote...

Offerte aanvragen Bekijk het profiel